Genderidentiteit: betekenis en respectvolle aanspreekvormen
Genderidentiteit is hoe je je eigen gender ervaart en benoemt. Je kunt bijvoorbeeld man, vrouw of non binair zijn. Die persoonlijke beleving is iets anders dan je kleding, de manier waarop anderen je inschatten of tot wie je je aangetrokken voelt.
Het verschil tussen identiteit en expressie
Genderexpressie is wat je naar buiten laat zien, bijvoorbeeld met kleding, stem of gedrag. Genderidentiteit gaat over je eigen beleving. Transgender Netwerk onderscheidt deze begrippen. Ze kunnen bij elkaar passen zoals anderen verwachten, maar dat hoeft niet.
Stel je een vrouw voor die graag een pak draagt en haar haar heel kort heeft. Haar kleding maakt haar niet minder vrouw. Een andere persoon kan een vergelijkbaar pak dragen en non binair zijn. De buitenkant geeft je dus geen kant en klaar antwoord op de vraag wie iemand is.
Vier begrippen in gewone taal
| Begrip | Waar gaat het over? | Een concrete vraag |
|---|---|---|
| Genderidentiteit | Je eigen beleving van gender. | Welke omschrijving past bij mij? |
| Genderexpressie | De manier waarop je je presenteert. | Hoe wil ik me kleden of laten zien? |
| Geslacht geregistreerd bij de geboorte | De aanduiding die toen is vastgelegd. | Wat is destijds geregistreerd? |
| Seksuele oriëntatie | Je aantrekking tot anderen. | Tot wie voel ik me aangetrokken? |
Die laatste vraag staat los van de eerste. Een man kan bijvoorbeeld heteroseksueel, homoseksueel of biseksueel zijn. Zijn oriëntatie verandert niet wat de term man over zijn gender betekent. De voorbeelden helpen om de woorden te onderscheiden; ze zijn geen volledige lijst van mogelijke identiteiten.
Hoe vraag je naar aanspreekvormen?
Je kunt vragen: „Welke voornaamwoorden gebruik je?” Voornaamwoorden zijn bijvoorbeeld hij, zij, die of hen. Vraag het rustig als je het nodig hebt, zonder een publiek gesprek te maken van iemands uiterlijk. Het taaladvies van Transgender Netwerk raadt aan de aanspreekvorm van de persoon zelf te volgen.
Een zelfbedacht voorbeeld met die en diens: „Robin komt straks ook. Die neemt iets te drinken mee. Ik heb diens tas alvast neergezet.” Je hoeft daarvoor niets te weten over Robins lichaam of eerdere naam.
Wat doe je als je je vergist?
Verbeter jezelf kort en ga verder: „Hij, sorry, zij heeft dat geregeld.” Heeft iemand jou gecorrigeerd, dan kan „Dank je, ik pas het aan” genoeg zijn. Een kleine verspreking hoeft niet uit te groeien tot een gesprek waarin de ander jou moet geruststellen.
Ook privacy kun je praktisch houden. Vertelt een vriend je iets persoonlijks, vraag dan: „Mag ik dit ook in de groep noemen?” Neem een eerder vertrouwelijk gesprek niet als automatische toestemming. Je kunt best iemand steunen zonder namens diegene een mededeling te doen.
Als je zelf nog zoekt naar woorden
Je mag iets concreets vragen zonder al een volledige omschrijving te hebben. Bijvoorbeeld: „Ik wil graag dat je deze naam gebruikt, maar ik weet nog niet welk label bij me past.” Of: „Ik wil er nu alleen met jou over praten.”
Een label kan handig zijn om iets uit te leggen, maar het is geen verplichting. Je hoeft niet aan een uiterlijk beeld te voldoen of al je gedachten in één gesprek af te ronden. Begin bij wat voor jou duidelijk is en laat de rest voorlopig open.