LGBTQIA: betekenis van de letters en verwante begrippen
LGBTQIA+ staat voor lesbisch, gay, biseksueel, transgender, queer, intersekse en aseksueel. De plus laat ruimte voor meer identiteiten en oriëntaties. In het Nederlands zie je ook LHBTIQA+: de H van homoseksueel vervangt dan de Engelse G van gay en de volgorde verschilt.
De letters in één overzicht
| Letter | Betekenis | Korte uitleg |
|---|---|---|
| L | Lesbisch | Vaak vrouwen die op vrouwen vallen. |
| G | Gay | Engels voor homoseksueel, vaak gebruikt door mannen die op mannen vallen. |
| B | Biseksueel | Aantrekking tot meer dan één gender. |
| T | Transgender | Het eigen gender komt niet of niet helemaal overeen met de toekenning bij geboorte. |
| Q | Queer of questioning | Een brede eigen omschrijving, of nog zoeken naar woorden voor de eigen oriëntatie. |
| I | Intersekse | Geboren met geslachtskenmerken buiten de gebruikelijke indeling in mannelijk of vrouwelijk. |
| A | Aseksueel of aromantisch | Geen of weinig seksuele aantrekking, of geen of weinig romantische aantrekking. |
| + | Meer begrippen | De afkorting is geen volledige opsomming. |
Dit is een eerste uitleg. Mensen kunnen een term persoonlijk anders invullen of meerdere woorden gebruiken. Het Nederlands Jeugdinstituut licht de letters verder toe. Aseksueel en aromantisch betekenen bijvoorbeeld niet hetzelfde, ook al staan ze allebei bij de A.
Waarom staan verschillende soorten begrippen bij elkaar?
De afkorting brengt mensen samen, maar beschrijft niet één eigenschap. Oriëntatie gaat over aantrekking. Genderidentiteit gaat over je eigen gender. Geslachtskenmerken zijn lichamelijk. Als je die verschillende vragen uit elkaar houdt, wordt de afkorting veel begrijpelijker.
Een eigen voorbeeld: Noor is een trans vrouw en valt op vrouwen. Trans vertelt hier iets over genderidentiteit; lesbisch kan een woord voor haar oriëntatie zijn. De ene omschrijving vervangt de andere niet. Noor bepaalt zelf welke woorden ze gebruikt en met wie ze die deelt.
Intersekse is weer iets anders dan trans. Seksediversiteit.nl legt uit dat intersekse niet op zichzelf een oriëntatie of genderidentiteit is. Je kunt uit lichamelijke kenmerken dus niet afleiden op wie iemand valt of hoe die zichzelf noemt.
Waarom zie je meerdere afkortingen?
Een Engelse tekst kan LGBTQ+ gebruiken, terwijl een Nederlandse organisatie LHBTIQA+ schrijft. In een ander stuk staat lhbti+. De taal, volgorde en opgenomen letters verschillen. Kijk naar de uitleg in de betreffende tekst als je precies wilt weten welke groepen ermee bedoeld worden.
De plus voorkomt niet dat een concreet onderwerp aandacht nodig heeft. Schrijf je over toegankelijkheid voor trans personen, benoem dan wat voor hen van belang is. Een algemene afkorting maakt een specifieke uitleg niet overbodig.
Hoe praat je over iemand zonder aannames?
Gebruik de omschrijving die de persoon zelf kiest. Een vriendin kan zich lesbisch noemen; een ander gebruikt queer. Je hoeft niet te vragen bij welke letter iemand precies hoort als dat niet relevant is voor het gesprek.
Bij een introductie is een naam meestal genoeg. Wil je iets persoonlijks delen over een ander, vraag dan vooraf: „Mag ik dat ook aan hen vertellen?” Iemand kan tegen jou open zijn en de informatie op het werk of in familiekring liever privé houden.
Een vergissing kun je kort herstellen: „Sorry, ik bedoel zij.” Daarna kun je verder met het gesprek. Zo blijft de aandacht bij de persoon en wordt de correctie geen groot moment waarop die jou moet geruststellen.